MasterclassSmulungle Aalst News

Raad der wijzen – Nomenclatuur, what’s in a name.

Wim Peeters

Lector Boomverzorging Vives hogeschool Campus HIVB Roeselare is niet aan zijn proefstuk toe. Zijn kennis is wijd verspreid en dankzij zijn slimme inzichten kunnen we wat mythes uit de wereld helpen.

Wim Peeters,

We voegen hem met heel veel plezier toe aan onze Raad Der Wijzen.

Nomenclatuur, of de spelregels voor het juist schrijven van de naam van een plant.

De officiële naamgeving van planten kan lastig zijn voor wie daar niet mee vertrouwd is. Er zijn
nochtans redenen genoeg om je daar even in te verdiepen. Om een plant met zekerheid te kunnen
identificeren is een gestandaardiseerd systeem noodzakelijk. Een rode esdoorn bijvoorbeeld (Acer
rubrum) is niet hetzelfde als een roodbladige esdoorn. Bovendien zijn er meerdere esdoorns waarvan
roodbladige vormen bestaan. Sommige amper een meter of twee hoog, andere halen dan weer vlot
de 25 meter. Alleen al omwille van commerciële redenen is het belangrijk om een specifieke boom
correct te kunnen benoemen. Het gebruik van wetenschappelijke namen garandeert dat verkoper en koper exact weten dat ze allebei dezelfde plant bedoelen. De eigenschappen van een plant kunnen ook makkelijk in de literatuur teruggevonden worden. Bovendien zal geen enkele boomkweker je ooit ernstig nemen wanneer je als groendeskundige niet in staat bent om de correcte naam te geven voor de soort die je zoekt. Het komt ook gewoon amateuristisch over.

Maar behalve dat het gebruik van de wetenschappelijke namen in de groensector ingeburgerd is,
kunnen soortnamen van streek tot streek sterk verschillen. En dan hebben we het geeneens over
andere talen. Zonder correcte – wetenschappelijke – naamgeving wordt uitwisseling van informatie
al snel problematisch. De indeling en de systematiek van soorten, taxonomie, had dus nood aan een
duidelijke naamgeving, nomenclatuur, van soorten (alle soorten, niet alleen van planten) komt dan
ook vanuit de wetenschap die al in de 18de eeuw nood had aan een duidelijk systeem.

Hoe het begon?

Nu wie lag er aan de oorsprong lag van die naamgeving? Dat alleen al was destijds voer voor veel discussie want eigenlijk lag John Ray die niet in Oxford maar in Cambridge studeerde aan de basis van het proberen te benoemen van de natuur. Hij zag patronen en variaties en probeerde die kenmerken te categoriseren. Dat was revolutionair voor de 17de eeuw. Hij was ook de ontdekker van het verschil tussen éénlobbige en tweelobbige zaden. Tot op vandaag ligt hij aan de basis van de classificatie van planten. Maar jammergenoeg raakte zijn werk nooit bekend. Dat was een groot verschil met de Zweedse Linnaeus. Hij zag in dat erkenning in Londen belangrijk was om erkenning te krijgen.

Linnaeus en zijn Species Plantarum

Philip Miller een Britse plantkundige, stichtte in die tijd de ‘The Society of Flowers’ om te beslissen wat de naam van iedere nieuwe plant in Engeland zou heten. Het was onbegonnen werk want de toestroom van nieuwe planten was te groot. De ‘Society of Flowers’ was maar een kort leven beschoren maar zijn naam was gemaakt. Hij werd hoofd van de Chelsea Physic Garden in Londen dat tot op vandaag nog altijd één van de meest toonaangevende botanische tuinen is. Hij bundelde al het werk in een ‘Dictionairy of plants’ in alfabetische volgorde. Dit werd een internationaal succes.

Toen Linnaeus op 1 mei 1753 zijn Species Plantarum publiceerde waarmee hij de basis legde voor de binominale naamgeving zoals we die nu nog steeds gebruiken was erkenning vond Miller dit maar niets. Linnaeus zag de indeling van planten als iets sexueel wat als zeer schokkerend werd ervaren en keerde onverrichte zake terug naar Zweden. Daar legde hij zelf een Botanische tuin aan volgens zijn systeem. Zijn werk werd razend populair en langzaam maar zeker kreeg zijn Species Plantarum ook internationaal de nodige erkenning. Maar de rivaliteit tussen Miller en Linnaeus is altijd blijven bestaan.

Lineaus noemde de Euphorbia mellifera of Wolfsmelk naar Miller.

De Linnaeus borealis of het sneeuwklokje noemde Linnaeus naar zichzelf.

Jongens en wetenschap

In tussentijd is de naamgeving van soorten, uitgedijd tot een wetenschap op zich die allerhande complexe regels volgt die vastgelegd worden in de International Code of Botanical Nomenclature (ICBN 2020). Het totale document beslaat 135 pagina’s, om maar te zeggen dat nomenclatuur een ernstige en complexe zaak is. De ICBN geeft enkel de regels voor de naamgeving. De namen en afgewezen synoniemen voor de verschillende soorten kunnen geraadpleegd worden in de World Flora (World Flora Online Consortium, 2021).

Binominaal systeem

Linnaeus gaf in zijn binominaal systeem alle soorten een tweeledige naam op basis van verwantschap. Het eerste deel van de naam, het geslacht of genus, wordt met een hoofdletter geschreven. De soortaanduiding of epetheton, het tweede deel, begint met een kleine letter. De
gehele naam wordt schuin geschreven.
De eiken zijn dan Quercus, hulst is Ilex, haagbeuk is Carpinus, berk is Betula, Picea is spar en Abies is zilverspar.

Binnen eenzelfde geslacht zijn er meerdere soorten. Die hebben allemaal dezelfde geslachtsnaam. De soortnaam die daarop volgt, maakt het onderscheid tussen de verschillende soorten binnen dat geslacht. Zo zijn er bv een groot aantal eiken, Quercus robur, Quercus petraea, Quercus rubra, Quercus palustris, Quercus cerris, Quercus frainetto, Quercus ilex om er maar een paar te noemen. De volgorde is ontzettend belangrijk. Zoals gezegd is hulst Ilex. Omdat in de wetenschappelijke naam van de steeneik Quercus vooraan staat, zien we dus meteen dat die bij de eiken en niet bij de hulsten hoort. Dat de soortnaam toevallig ook de geslachtsnaam is voor de hulsten, verandert daar niks aan. Hetzelfde geldt voor Carpinus betulus. Dat is geen berk, Betula, maar een haagbeuk, Carpinus. Bij Picea abies zien we hetzelfde.
Hoewel de soortnaam dezelfde is als de geslachtsnaam van de zilversparren is het een spar, Picea dus. In het geval de soort niet bekend is wordt de soortnaam vervangen door sp., species of spp., species
pluralis, wanneer het over meerdere soorten uit hetzelfde geslacht gaat. We spreken dan bv over
Quercus sp. of Quercus spp. Dat Betula verandert naar betulus wanneer het gebruikt wordt als soortnaam voor Carpinus betulus heeft te maken met het feit dat de uitgang van de soort hetzelfde geslacht heeft als dat van het genus.

Daarbij moet ook nog opgemerkt worden dat voor de Romeinen bomen vrouwelijk waren. Quercus en Fagus lijken mannelijke genera, maar zijn vrouwelijk. Daardoor krijgen de soorten een vrouwelijke uitgang. Bij Quercus robur speelt nog wat anders. Robur is een zelfstandig naamwoord en dat verandert niet wanneer het als soortnaam gebruikt wordt. Het is met andere woorden, door de veelheid aan regels, vooral een kwestie van oefenen en wennen.

Geslacht soort Nederlandse nam

  • Acer rubrum rode esdoorn
  • Quercus robur zomereik
  • Quercus petraea wintereik
  • Quercus rubra Amerikaanse eik
  • Quercus palustris moeraseik
  • Quercus cerris moseik, Turkse eik
  • Quercus frainetto Hongaarse eik
  • Quercus Ilex steeneik
  • Ilex aquifolium hulst
  • Carpinus betulus haagbeuk
  • Betula pendula ruwe berk
  • Picea abies gewone spar
  • Abies grandis reuzenzilverspar
  • Quercus sp. eikensoort
  • Quercus spp. eikensoorten

Ondersoorten, variëteiten en vormen

Binnen een soort kan er nog verder opgedeeld worden in ofwel ondersoorten ofwel variëteiten. Waar Linnaeus aanvankelijk soorten enkel opdeelde in variëteiten (niet te verwarren met cultuurvariëteiten), werd in het midden van de twintigste eeuw het gebruik van subspecies populairder. Bij voorkeur worden deze twee indelingen niet door mekaar gebruikt binnen een en dezelfde soort.
In de praktijk zullen deze twee dus slechts uitzonderlijk gebruikt worden binnen een en dezelfde soort. Dat was in het verleden ooit anders. Variaties en ondersoorten worden vermeld na de soortnaam, voorafgegaan door respectievelijk var. of subsp. (ook wel ssp.). (Eckenwalder, 2009)
Uitzonderlijk wordt er ook gebruik gemaakt van forma, vorm. Deze term wordt doorgaans gebruikt bij bv parasieten om te verwijzen naar een vorm die bij een specifieke gastheer voorkomt (ICBN, 2020).

Bij planten wordt het eerder gebruikt om te verwijzen naar specifieke variabele groepen van cultivars waarbij de exacte determinatie van de cv te veel problemen oplevert. Dat komt bijvoorbeeld voor bij cultuurvariëteiten waarvan de kenmerken onzuiver terug komen in de zaailingen. Uitzonderlijk wordt forma, afgekort tot f., gebruikt in een geaccepteerde naam.
De naamgeving van ondersoorten, varianten en vormen volgt dezelfde regels als die voor soorten.
Het geslacht van de uitgang komt overeen met dat van de geslachtsnaam, er wordt geen hoofdletter
gebruikt en de naam wordt schuin geschreven.

Taxonomie, een levende materie.

Taxonomie is een levende wetenschap waarin alles continu aan verandering onderhevig is. De verwantschap tussen soorten wordt nog steeds verder ontrafeld. Wat vandaag zeker lijkt, kan morgen door de ontdekking van nieuwe soorten of bv DNA onderzoek op losse schroeven komen te staan.
Er zijn wetenschappers die eerder geneigd zijn om groepen met afwijkingen als aparte soort of ondersoort te beschrijven (splitters) anderen gaan er dan weer van uit dat variatie binnen een soort
tot de natuurlijke eigenheid behoort. Die gaan die verschillende (onder)soorten dan weer samen voegen (lumpers). Wetenschappers publiceren daardoor continu de resultaten van hun onderzoek.
Naamsveranderingen worden soms geaccepteerd, soms weer afgewezen. Zo werd de Atlasceder een
tijd beschouwd al een ondersoort van de Libanonceder (Cedrus libani ssp. atlantica) (Endl.) Batt. & Trab. Vandaag lijkt de consensus te zijn dat het een eigen soort is (Cedrus antantica (Endl.) Manetti ex carrière). Omdat in dat geharrewar en gehakketak van naamsveranderingen een kat haar jongen niet meer dreigt terug te vinden, worden de naamgevers (auteurs) vermeld. De vermeldingen na de wetenschappelijke naam zijn dus de auteursnaam of, in dit geval auteursnamen waarbij de eerste naam, tussen haakjes, de naam is van de auteur die de plant beschreven heeft gevolgd door de naam van degene die de huidige naam gepubliceerd heeft. Die auteursnamen zijn noodzakelijk omdat het kan gebeuren dat eenzelfde naam die al eerder gebruikt is voor een soort, plots opduikt bij een andere soort. Fagus sylvatica var. atropunicea Weston is een synoniem voor Fagus sylvatica L. terwijl Fagus sylvatica var. Atropunicea Marshall een synoniem is voor Fagus grandifolia Erh. Dat zijn dus twee verschillende soorten.

Wordt het wat ingewikkeld?

Voor ons zijn de auteursnamen minder van belang. Die worden dus gemakshalve weggelaten.
Geslacht soort tussenvoegsel subsp./var./f. auteur

  • Fagus grandifolia subsp. mexicana (Martinez) A.E. Murray
  • Fagus japonica var. multinervis (Nakai) Y.N. Lee
  • Fagus sylvatica var. atropunicea Weston
  • Fagus sylvatica var. atropunicea Marshall
  • Quercus robur subsp. brutia (Ten.) O. Schwarz
  • Quercus robur subsp. imeretina (Steven ex Woronow) Menitsky
  • Quercus robur subsp. pedunculiflora (K.Koch) Menitsky

Hybriden

Sommige soorten ontstaan als gevolg van kruisingen, zowel in de natuur als door de mens. Deze
kruisingen of hybrides worden aangeduid met een ‘x ‘ voor de soortnaam. Zo is de natuurlijke
hybride tussen de zomer- en de wintereik Quercus x rosacea en die tussen de zomer- en winterlinde
Tilia x europaea. Hybriden als Magnolia x soulangeana, Quercus x hispanica of Populus x canadensis
zijn dan weer in de kwekerij ontstaan. Wanneer er geen officiële naam is voor een hybride wordt die
als dusdanig benoemd. De hybride tussen de Amerikaanse en de Chinese tulpenboom is dan
Liriodendron tulipifera x chinense. Er kunnen ook kruisingen gemaakt worden tussen soorten die tot
verschillende geslachten behoren. In dat geval wordt er een nieuwe genusnaam bedacht die een
samentrekking is van de bestaande geslachtsnamen, voorafgegaan wordt door een ‘x’. Zo is x
Sorbopyrus auricularis een kruising tussen Pyrus communis (peer) en Sorbus aucuparia (lijsterbes). X
Sycoparottia semidecidua is dan weer een hybride tussen Sycopsis sinensis en Parottia persica. Er zijn
er nog.
Bemerk ook dat wanneer een van de stamouders van een intergenerische hybride in een ander geslacht ingedeeld wordt, de hybride van beide soorten ook een andere naam dient te krijgen. Toen hamaecyparis nootkatensis na de ontdekking van Xanthocyparis vietnamensis bij dat genus werd ingedeeld, moest x Cupressocyparis leylandii ook een andere naam krijgen. x Cupressocyparis was de naam voor hybriden tussen Chamaecyparis sp. en Cupressus sp. Door de naamswijziging van de nootkacipres kon de leyland cipres dus niet meer bij X Cupressocyparis ingedeeld worden. Dat is dan x Cuprocyparis geworden. In tussentijd is het genus Xanthocyparis bij Cupressus gevoegd waardoor de leylandcipres niet langer een intergenerische, maar een gewone hybride is tussen Cupressus nootkatensis en Cupressus lusitanica. Logischerwijze zou dat dus Cupressus x leylandii worden maar dat staat nog ter discussie. Als het over naamgeving gaat zijn de zaken nu eenmaal niet altijd zo eenvoudig als ze lijken.

Ouders Hybriden

  • Quercus robur Quercus petraea Quercus x rosacea
  • Tilia cordata Tilia platyphyllos Tilia x europaea
  • Magnolia lilliflora ‘Nigra’ Magnolia denudata Magnolia x soulangeana
  • Quercus cerris Quercus suber Quercus x hispanica
  • Populus nigra Populus deltoides Populus x canadensis
  • Liriodendron tulipifera Liriodendron chinense
  • Liriodendron tulipifera x chinense
  • Pyrus comunis Sorbus aucuparia x Sorbopyrus auricularis
  • Sycopsis sinensis Parottia persica x Sycoparottia semidecidua
  • Chamaecyparis nootkatensis Cupressus lusitanica x Cupressocyparis leylandii
  • Xanthocyparis nootkatensis Cupressus lusitanica x Cuprocyparis leylandii
  • Cupessus nootkatensis Cupressus lusitanica Cupressus x leylandii Chimaeren

Chimaeren

Om het helemaal af te maken bestaan er ook chimaeren, ook bekend onder de foutieve naam enthybriden. Die ontstaan wanneer bij het enten de cellen van onderstam en ent vergroeien, waardoor de eigenschappen van beide ouder behouden blijven en deels vermengd geraken. Er ontstaan dan bizarre planten die zowel de zuivere kenmerken van de ene als van de andere ouder en soms ook nog intermediaire kenmerken dragen. De genen worden dus niet vermengd zoals bij hybriden de met een ‘x’ aangeduid worden, maar manifesteren zich samen. Het gaat dus om de ene soort + de andere. X Crateamespilus is de hybride tussen meidoorn en mispel. + Crateagomespilus is de chimaera die genen van beide soorten bevat. Een andere chimaera is + Laburnocytisus die zowel de gele bloemen van Laburnum, de paarse bloemen van Cytisus purpurea als intermediaire bruinige bloemen draagt.

Cultivars

Kwekers hebben niet alleen soorten gekruist, ze hebben ook spontane mutaties vermeerderd door stekken, afleggen of enten. Dat kunnen vormen zijn met grotere bloemen, een andere habitus, zuilvormen of treurbomen, of de bladkleur is anders of dieper ingesneden. Die vormen worden dan
benoemd als cultuurvariëteiten van een soort, cultivars. Die cultivars krijgen dan een naam die tussen aanhalingstekens staat en met een hoofdletter begint. Cultivars worden ook niet schuin geschreven.
Bij sommige soorten is de afkomst van een cultivar totaal onduidelijk. Soms worden die
verzameld onder een aparte soortnaam, zoals bij Hamamelis x intermedia. Of de soortnaam wordt
volledig weggelaten, bv Magnolia ‘Black Tulip’. De regels die gehanteerd worden voor de
naamgeving van cultivars is vastgelegd in de International Code of Nomenclature for Cultivated
Plants
. (ICNCP) en kan geraadpleegd worden op volgende link (Brickell C. D. Et All, 2016).
Die namen kunnen dus ook niet zomaar gekozen worden.
Voor cultivarnamen kan iedere taal gebruikt worden, met uitzondering van Latijn dat sinds 1951 niet meer gebruikt mag worden. Cultivars met een Latijnse naam dateren dus van voor 1951 of zijn ongeldig.
Geslacht soort cultivar
Opmerking:
Fagus sylvativa ‘Roseomarginata’ CV voor 1951
Fagus sylvatica ‘Mercedes’ CV na 1951
Quercus robur ‘Fastigiata’ CV voor 1951
Quercus robur ‘Koster’ ‘Fastigiata Koster’ is niet geldig
Acer rubrum ‘Scanlon’
Parottia persica ‘Vanessa’

Nederlandse namen

En als laatste zijn er de Nederlandse soortnamen. Taalkundigen en botanici hanteren daar andere regels voor. De reden is dat adjectieven als eerste deel van een soortnaam voor verwarring kan zorgen. Is bv een grote vos een vlinder (Nymphalis polychloros) of een zoogdier (Vulpes vulpes)? Het lijkt me dat dat wetenschappelijke naamgeving bestaat om dat soort verwarring te vermijden. Het vermelden van de wetenschappelijke naam na de soortnaam kan dus alle twijfel wegnemen. Dat ‘probleem’ hoort niet opgelost te worden door het negeren van de taalregels. Taalregels worden door taalkundigen opgesteld en niet door biologen.
Soortnamen worden in het Nederlands met een kleine letter geschreven zelfs wanneer die afgeleid
zijn van een persoonsnaam, bv magnolia, paulownia of cox. De bijvoeglijke voormaanwoorden die bij
een soortnaam horen worden ook met een kleine letter geschreven, bv gewone esdoorn, rode beuk
of grauwe wilg. De enige uitzondering zijn plaatsnamen en afgeleiden van aardrijkskundige namen als
Amerikaanse eik, Turkse eik of Himalayaberk. (Taalunie, 2020)
De standaardlijst 2020, Houtige gewassen en vaste planten voegt daaraan toe dat voor vakteksten,
zoals een plantengids voor Nederlandse namen vaak de Latijnse conventie wordt gebruikt.
Nederlandstalige soortnamen beginnen dan met een hoofdletter. Ze raden dat ook aan, omdat op
die manier duidelijk is dat kleuraanduidingen of bijvoeglijke naamwoorden deel uitmaken van de
soortnaam. Voor gewone teksten mogen dan kleine letters gebruikt worden. (Hoffman & Lemmens,
2020) Nadeel is echter dat op die manier er geen eenduidig taalgebruik is. We moeten ons echter de
vraag stellen of in vakteksten niet beter consequent de wetenschappelijke naam vermeld wordt na
de Nederlandse naam. De wetenschappelijke naam heeft immers als doel duidelijkheid en
uniformiteit te creëren. Verschillen in schrijfwijze, afhankelijk van de aard van de publicatie is
weliswaar algemeen geaccepteerd, het gaat in tegen de principes van uniformiteit van de
naamgeving.

Bibliografie

Brickell C. D. Et All. (2016). International Code of Nomenclature for Cultivated Plants (9 th edition
ed.). Leuven: International Society for Horticultural Science. Retrieved 12 30, 2020, from
https://www.ishs.org/sites/default/files/static/ScriptaHorticulturae_18.pdf
Eckenwalder, J. (2009). Conifers of the world, the complete reference. Portland and London: Timber Press.
Hoffman, M., & Lemmens, M. (2020). Nederlandse namen van cultuurplanten, standaardlijst 2020.
Nederlandse namen van cultuurplanten, standaardlijst 2020. Retrieved 05 17, 2021, from
https://www.naktuinbouw.nl/sites/default/files/Nederlandse%20namen%20van%20cultuurp
lanten%20%28EINDVERSIE%29.pdf

ICBN. (2020, 12 26). International Code of Botanical Nomenclature, 2006 — Vienna Code. Retrieved
from IAPT: https://www.iapt-taxon.org/historic/2006.htm
Taalunie. (2020, 12 26). Dier-, plant- en fruitnamen (hoofdletters?). Retrieved from Taaladvies:
https://taaladvies.net/taal/advies/vraag/1142/dier_plant_en_fruitnamen_hoofdletters/
World Flora Online Consortium. (2021, 01 05). World Flora Online. Retrieved from World Flora
Online, An Online Flora of All Known Plants: http://www.worldfloraonline.org

Meer dezelfde topics

Back to top button